Wat Sal Paradise zei: "The bottom of the world is gold and the world is upside down." Het is waar en tegelijkertijd ook niet waar. In Hongarije, Budapest om preciezer te zijn, koop ik bijna een negentiende-eeuws herenhuis. Het kost maar tweehonderdveertigduizend euro. Een huis als een lot uit de loterij: ik hoef het maar vijftien jaar aan te houden en de waarde ervan zal verdubbeld zijn. Na drieëndertig jaar heb ik nu eindelijk dé kans om rijk te worden. De rijkdom wordt me als het ware rechtstreeks in de schoot geworpen! Maar helaas kan ik het niet betalen. Ik ben namelijk schrijver en met schrijven verdien je behoorlijk slecht. Als ik in Budapest wil wonen, zal ik dus een huis moeten huren. Of niet eens een huis, maar een appartement. Ergens in een achterafwijk. In een smalle, natte steeg. Waar het stinkt naar dode dieren. Overigens huur ik hier (in het stinkende Holland) ook een appartement, al is het niet naar volle tevredenheid. En niet alleen vanwege die dode dieren die liggen te creperen voor mijn voordeur. Nee, vanwege het huren. Het is het huren waar ik een zure bek van krijg. Huren is niet kopen. Huren heeft niets met dat "gold" en "upside down" enzo te maken. Huren voelt simpelweg als een klompje goud dat erodeert tussen de handen. Zodoende dat ettelijke vragen zich de afgelopen dagen in mijn hoofd opstapelen. Vragen als: wil ik een rozentuin bezitten of er liever alleen in wandelen? Is zilver ook een edelmetaal? En: waarom komt vrede toch altijd onverwacht?

22 mei 2018

Goud