top of page

De oorlog was ver van huis, heb ik altijd gedacht. Wat weet ik nu van oorlog. Niets. Ja, dat mijn vader gevlucht was uit H. en dat hij nog steeds bovenmatig bang is voor communisten. Op z'n elfde zag hij hoe verraders omgekeerd aan galgen met de armen naar beneden hangend door de straten van B. hingen. Nog steeds vind je hier en daar kogelgaten in de muren van B. De oorlog was misschien ver van huis, maar ik was wel altijd op zoek. Naar Joden bijvoorbeeld. In café de Blokhut sprak ik met diamantslijpers om dit volk beter te leren kennen. Ik ging naar Auschwitz en Birkenau, om te vernemen hoe ansichtkaarten door Joden aan hun families stuurden alvorens ze het vuur inliepen. In twee weken keek ik de negen uur durende documentaire Shoa uit, getuigenissen van een parallelle wereld die 75 jaren geleden is opgehouden te bestaan. Net als mijn vader was ik ook bang voor communisten. Voor het rode gevaar. Voor overheersing van een buitenlandse mogendheid. Ik las in De Welwillenden hoe de Bolsjewieken met loden kogels gefusilleerd werden in Oekraïne. Over hoeveel economischer gaskamers later bleken te zijn. Over de Jodentuin van Albert Speer. Ik neem een slok van mijn zwarte thee. De oorlog is in mij boven gekomen. Ik ben bang mezelf te verliezen in een hang naar het verleden. Zoals Stefan Zweig schreef dat niets zo naïef is gebleken te geloven dat we een geweldige toekomst tegemoet gingen na WOI. Hij kon de waarheid niet aanvaarden. Ik wel, maar de ontreddering is nooit ver van huis. 

Brug

bottom of page